Voor toerfietsers Grevink en Te Pas geen Limburg, Eifel en l’Alpe d’Huez meer
Verknocht aan charme van
kleine Franse wielerkoersen
‘Super. Echt super is dit!’ Dolenthousiast is Edwin Grevink nadat hij zojuist de eerste editie van La Jean-François Bernard heeft voltooid. ‘Dit is gewoon een avontuur’. Elke minuut van deze koers, voor cyclosportieven door het prachtige natuurgebied van het Franse natuurpark de Morvan, heeft hij genoten. De gemoedelijke Franse dorpssfeer, het enthousiasme van de lokalen over de Hollandse deelname, de vriendelijkheid van de deelnemers, de perfecte organisatie en het fantastische parcours. Zijn fietsmaatje Chris te Pas is al even enthousiast. ‘Dit is goud!’ De twee toerfietsers uit Winterswijk reden in clubverband al de geijkte tochten door Limburg, de Eifel, België en de Alpen, maar hebben dat nu wel gezien. Ze zijn helemaal verknocht aan de charme van kleine Franse wielerkoersen.
door Raymond Kool
In
2004 zijn de Winterswijkers besmet geraakt met de cyclosportieve bacil. Met
dertig leden van de plaatselijke fietstoerclub waren ze in
Saint-Jean-de-Maurienne neergestreken voor tochtjes over beroemde cols als de
Galibier en l’Alpe d’Huez. In het dorp werd hun aandacht getrokken door groepjes
lokale renners met rugnummers. ‘Allemaal fanatieke mannekens, strak in het ‘pakkie’.
We waren benieuwd waar ze zich inschreven en gingen een kijkje nemen’, vertelt
Edwin. Toen de organisatie hoorde dat het nieuwsgierige gezelschap uit Nederland
kwam werden de toerfietsers met open armen ontvangen. Ze konden zonder problemen
inschrijven. Naast Edwin en Chris waagden slechts twee andere clubleden zich aan
dit avontuur. Een gemiste kans, want het viertal had de dag van hun leven. ‘We
werden helemaal in de watten gelegd. We kregen na afloop pasta en wijn. En
tijdens de koers kwamen we op weggetjes waar je anders nooit zou komen.’De
Franse dorpelingen waren apetrots op de Nederlandse deelname. ‘We hebben daar in
de krant gestaan en kregen zelfs een staande ovatie na afloop. Dat is toch
prachtig. Je beoefent je sport en dan is het toch hartstikke leuk als het ook
nog zo wordt gewaardeerd’, aldus Chris, die nog steeds kan nagenieten van deze
ervaring. Met de koers in het sfeervolle Alpendorpje nog in het geheugen konden
Edwin en Chris de motivatie niet opbrengen om zich in te schrijven voor het
jaarlijkse fietsweekeinde van hun fietsclub, dat in 2005 weer eens in de Eifel
was gepland. Ze hadden er simpelweg geen zin in en dat werd hen niet echt in
dank afgenomen. Ze besloten dan ook hun lidmaatschap op te zeggen en zelf een
weekeindje op avontuur te gaan. De keuze viel in eerste instantie op een rondje
Bodensee, maar door het voortdurende slechte weer ter plaatse en de onzekerheid
over het doorgaan van de rit, gingen ze bij de fietsreisorganisatie Enroute op
zoek naar een andere uitdaging. Daar viel hun oog op La Jean-François Bernard.
Een 160 kilometer lange wedstrijd door de voor hen totaal onbekende Morvan, in
het hart van de Bourgogne.
Opgewonden zetten de twee fietsvrienden met de auto koers naar Midden-Frankrijk. Het avontuur begint al direct in Corbigny, de startplaats van La Jean-François Bernard. Ze speuren op de borden tevergeefs naar de plaatsnaam Epiry waar hun geboekte hotel staat. Op Place du Champ de Foire zien ze de lokale inwoners druk doende met het opbouwen van de start- en finishplaats voor de koers van zondag en besluiten daar de weg te vragen. Als ze uitleggen voor de wedstrijd te komen raken de Fransen direct enthousiast. De inschrijving ter plaatse is eigenlijk pas op zaterdag, maar Chris en Edwin kunnen meteen hun naam op de deelnemerslijst zetten. Die ligt echter wel bij een van de organisatoren thuis. Achter een oud Renaultje aanrijdend komen ze bij zijn woning. ‘Die stond helemaal vol met spullen voor de koers. Alles kregen we te zien. Alle bekers en de T-shirts. En alles werd uitgelegd. De moeilijkheden van het parcours, de ravitailleringpunten en zelfs de tombola na afloop’, vertelt Edwin glunderend. Zoals gebruikelijk bij een Franse koers voor cyclosportieven vraagt de organisator de Nederlanders wel om een licentiebewijs of een medische verklaring. Daar hebben ze niet aan gedacht, maar Edwin krijgt plots een ingeving. Als mountainbiker heeft hij in 2002 nog een elitelicentie gehad en dat pasje duwde hij altijd nog in zijn portemonnee. Achter zijn bankpasje om te voorkomen dat deze breekt bij het zitten. Hij tovert de oude licentie tevoorschijn en de aimabele Fransman kan zijn ogen niet geloven bij het zien van het woord elite. Een topper schrijft zich in voor zijn koersje, denkt hij. Chris heeft altijd alleen maar voor de lol gefietst en kan slechts zijn identiteitsbewijs tonen. Zonder problemen neemt de organisator daar genoegen mee en zo prijken de twee Hollanders als de nummers 37 en 38 op de startlijst van de allereerste La Jean-François Bernard. De man tekent ook nog even de route naar Hotel ‘Sur Yonne’ van het Nederlandse echtpaar John en Ginie Kerssen tot in detail uit en voor Chris en Edwin vertrekken wil hij ook nog even het materiaal van zijn speciale deelnemers zien. ‘Alles is vlak in Nederland en hij was bang dat we niet het goede verzet op onze fietsen hadden, maar bij het zien van onze tandwielen knikte hij goedkeurend.’
Nog diezelfde middag maken Chris en Edwin zich op voor een trainingsritje door de vreemde omgeving. Van hun vriendelijke en behulpzame gastheer John Kerssen vernemen ze dat de Morvan enigszins vergelijkbaar is met Limburg. Ook heuvelachtig, maar weidser en ruiger. ‘En dat klopt precies’, concludeert Edwin. ’Alleen zijn de klimmetjes in Limburg korter. En het is hier hoger en veel mooier. Wat een schitterende natuur!’ De 36-jarige vertegenwoordiger constateert bovendien nog iets heel bijzonders. ‘De lucht is hier dunner!’ Zijn fietsmaatje lacht hem schaterend uit. ‘Nee, echt. Als je in Nederland wind tegen hebt rijd je tegen een muur. Hier rijd je nog met gemak 35 in het uur met tegenwind. Het lijkt wel alsof die langs je heen gaat.’ Hoofdschuddend hoort Chris deze opmerkelijke theorie aan. De volgende dag regent het en besluit het tweetal de fiets in het gemoedelijke Hotel ‘Sur Yonne’ te laten. ‘We zijn echt ’mooi weer-fietsers’’, geeft Chris toe. ‘Als de zon schijnt rijden we soms wel drie of vier keer in de week, maar als het regent doen we niks. Dat gaat alleen maar ten koste van het materiaal.’ Ze stappen in de auto en verkennen het parcours van La Jean-François Bernard. Pittig, is hun conclusie. Als ze in Corbigny alvast hun rugnummer gaan afhalen zien ze op een bord de richttijden voor de bronzen, zilveren en gouden diploma’s hangen. ‘Dat was even schrikken. In mijn leeftijdscategorie moest je vijf uur en tien minuten rijden voor goud. Dat haal ik in Nederland op het vlakke nog niet!’, aldus Edwin. ‘Komt vast door die dikke wind in Nederland’, dolt Chris. ’s Avonds piekeren ze onder het genot van een glas wijn toch nog urenlang over die angstaanjagende richttijden. Tijdens hun trainingstochtje van vrijdag kwamen ze op een gemiddelde van 27 km in het uur uit. Ze zien zichzelf al als allerlaatste over de meet komen. Druk rekenend met gemiddelde snelheden en daarbij behorende eindtijden wordt ook een tweede fles huiswijn Sur Yonne soldaat gemaakt. ‘Natuurlijk geen ideale voorbereiding, maar we houden ook van het leven’, lacht Chris, die ondanks de alcoholische beneveling ‘s nachts nauwelijks een oog dicht doet. Net als Edwin. ‘We waren toch goed zenuwachtig. Waarvan weten we niet. Waarschijnlijk het onbekende dat ons te wachten stond.’
Het
is nog schemerig donker als Edwin en Chris op de vroege zondagochtend met de
auto van Epiry naar Corbigny rijden. De mistflarden hangen mysterieus in de
dalen tussen de met weilanden en donkere sparrenbossen bekleedde heuvels. Op de
Place du Champ de Foire genieten de Nederlanders alweer direct met volle teugen.
Op het grote terrein staan al vele auto’s van Fransen uit alle hoeken van de
streek. ‘Achter beslagen autoruiten zaten mensen zich om te kleden. Anderen
poetsten hun fiets nog eens op. Een prachtig sfeertje. Iedereen was lekker op
zichzelf aan het ‘freubelen’.’ Even voor de klok van acht uur drommen de
coureurs samen bij de start. Rennersvrouwen maken foto’s en de deelnemers
discussiëren met elkaar. Chris en Edwin hebben geen idee waar het over gaat. Ze
spreken twee woorden Frans. ‘Maar het heeft wel wat, dat Franse gebrabbel om je
heen. Als ze je aanspreken zeggen we ‘euuuh…, Pays-Bas, Hollandais!’ ‘Aaaahhh’,
zeggen ze dan. ‘Pas de problème. Courage!’ De mensen zijn allemaal echt heel
vriendelijk’, vertelt Edwin. De start verloopt typisch Frans chaotisch. De
deelnemers aan de 60, 100 en 160 kilometer hebben zich niet keurig bij de met de
hand geschreven startbordjes geschaard, maar staan al keuvelend door elkaar en
hebben de koersauto van de organisatie ingesloten. Stapvoets splijt de grijze
Renault MPV voorzichtig het iets meer dan tweehonderd renners tellende peloton
in tweeën. Tien minuten later dan gepland klinkt dan toch het korte concert van
ruim vierhonderd in de pedalen klikkende wielerschoenen. Het bontgekleurde en
sterk in leeftijd variërende gezelschap is vertrokken voor de eerste editie van
La Jean-François Bernard.
Chris en Edwin vragen zich af naar wie deze koers eigenlijk is vernoemd. ‘We dachten dat die ene dikke organisator in zijn korte witte broek misschien zo heette. De geldschieter wellicht.’ Dat in Frankrijk koersen voor cyclosportieven met het oog op de aantrekkingskracht vooral vernoemd worden naar ex-profwielrenners, is het tweetal niet bekend. Zo kent de Morvan sinds 2004 al La Robert Alban in Château-Chinon en al wat langer La Claudio Chiappucci in Arnay-le-Duc. De pas drie jaar jonge Club Cycliste Corbigeois wil nu ook aan de weg timmeren met een dergelijke koers en koos voor streekgenoot Jean-François Bernard. De ex-prof is geboren in het zuiden van de Morvan en woonde een tijd lang in het nabij Corbigny gelegen Aunay-en-Bazois, dat ook in het parcours is opgenomen. Volgens medeorganisator monsieur Schubert woont de oud-coureur nu nog steeds in het even verderop gelegen Châtillon-en-Bazois, maar kan hij wegens zijn werkzaamheden niet bij de naar hem vernoemde koers aanwezig zijn. Bernard zit in Spanje, waar hij voor Eurosport zijn deskundige licht laat schijnen op de Vuelta. Of hij er anders wel bij zou zijn geweest vragen de organisatoren zich overigens sterk af. Nadat Jean-François Bernard in 1996 zijn fiets aan de wilgen hing heeft hij weinig interesse getoond voor de regionale wielrennerij. Schubert denkt dat dit mede te maken heeft met enige schaamte. Hij tempert zijn stemgeluid en noemt het woord ‘dopage’. Toch is hij blij met de naam voor zijn koers. ‘Hij is toch uniek voor de streek’, aldus Schubert, die even de belangrijkste wapenfeiten van Bernard opsomt. Halverwege de jaren tachtig reed hij in de ploeg van de grote Bernard Hinault en werd in Frankrijk zelfs als diens opvolger gezien. Hij kon behoorlijk klimmen en fantastisch tijdrijden. In 1986 debuteerde hij in de Tour de France en won direct een etappe. Een jaar later won ‘Jeff’, zoals hij liefkozend werd genoemd, met overmacht de klimtijdrit op de Mont-Ventoux en veroverde de gele trui. Een dag later was hij die alweer kwijt aan de latere winnaar Stephen Roche, maar de Franse belofte won nog wel de vlakke tijdrit in Dijon en eindigde als nummer drie op het podium in Parijs. In totaal startte hij negen keer in de Tour, maar bereikte onder meer door knieproblemen nooit meer zijn niveau van 1987. Toch schreef hij in totaal 52 profoverwinningen op zijn palmares, waaronder vier etappes in de Giro, een rit in de Vuelta en het eindklassement van Parijs-Nice. Geen kleine jongen dus, maar desondanks hebben Chris en Edwin nog nooit eerder van hem gehoord. Zij komen hier puur om te genieten van het fietsen en het onbekende.
De eerste kilometers na de start wordt er behoorlijk tempo
gereden op de lange glooiende wegen van de naast de Morvan gelegen Bazois. Het
peloton zit al snel op een oneindig lang lint. Even voor het dorp Blismes duiken
de coureurs de grillige Morvan in en stuiten ze meteen op de eerste serieuze
klimmetjes. Het peloton breekt in stukken. Net over de stuwdam van het
schitterend gelegen Lac de Pannecière stuurt het grootste deel van de groep
waarin Chris en Edwin zich bevinden naar links voor het parcours van de honderd
kilometer. De Nederlanders moeten vrij eenzaam rechtsaf voor de grote ronde van
160 kilometer. ‘Courage, courage’, krijgen ze nog mee van de afbuigende Fransen
en
weg
zijn ze. ‘Mietjes!!!’, denkt Chris lachend, maar Edwin vraagt zich een moment af
waar hij aan gaat beginnen. Halverwege de koers hangt Chris, in de staart van de
wedstrijd, zwetend als een otter in het wiel van twee Fransen. ‘Het is wel even
wat anders dan dat vlakke in Nederland. Het is constant op en af!’, kan hij nog
uitbrengen. De 46-jarige zwemleraar voelt eindelijk weer wat energie opborrelen,
nadat hij op de lange hellende weg naar het op 632 meter hoogte gelegen dorp
Planchez helemaal dood is gegaan. ‘Ik heb daar wat vitaminetabletten van Edwin
genomen en een tube gelvoeding. Velen zeggen dat het niet werkt, maar ik kreeg
er na een tijdje weer enorm veel energie van.’ Zijn maatje heeft hij allang
moeten laten gaan. Edwin bestrijdt enkele kilometers voor hem moederziel alleen
de zoveelste langgerekte klim van de dag. ‘Godsamme!’, roept hij. Het is zwaar,
maar het adembenemende uitzicht op de vele valleien van de Morvan maakt veel
goed. Hij voelt zich ook nog kiplekker en ziet er monter uit. Problemen voor de
rest van de rit voorziet hij niet. Ook de angst voor een abominabele eindtijd is
verdwenen, nadat hij na twee uur koers tevreden heeft geconstateerd dat zijn
tellertje al zestig kilometer aangeeft. Dat zit gebakken, denkt hij.
Na vijf uur en een kwartiertje trapt Edwin Grevink zijn
Giant-racefiets onder het doek ‘Arriveé’ door langs de speaker en tent waar al
eerder gefinishte deelnemers aan lange tafels hun welverdiende lunch zitten te
verorberen. Aan het einde van de fuik van dranghekken wordt direct zijn diploma
met eindtijd uitgeprint. Geduldig wacht hij op de binnenkomst van Chris. Hij
verneemt dat zijn maatje halverwege zwetend is gesignaleerd. ‘Oh, dat doet hij
altijd. Dan gaat het wel goed met hem!’ Binnenkomende Fransen herkennen de
blonde Winterswijker en feliciteren hem met zijn prestatie. Een van hen begrijpt
niet dat hij niet bij de eersten is geëindigd. Blijkbaar heeft hij in het begin
van de koers nogal indruk gemaakt. De dikke organisator in witte korte broek
ontfermt zich ook even over zijn speciale gast. Hij hoopt dat de Hollander
volgend jaar met een groepje van een man of tien naar de tweede editie van La
Jean-François Bernard komt en wijst hem ietwat bezorgd op het feit dat hij nog
niets heeft gegeten. Het is per slot van rekening al half twee in de middag.
Edwin vindt het attent, maar zit nog vol van de sportvoeding en wil eerst Chris
over de meet zien
komen.
Na ruim een half uur kraait de speaker enthousiast: ‘Daar is onze vriend uit
Holland’. Fanatiek komt de Winterswijker over de meet. In de eerste stijgende
meters van de vlak voor Corbigny gelegen Côte de Rennebourg heeft hij het even
moeilijk gehad, totdat hij een vijfhonderd meter voor hem rijdende Fransman in
het vizier krijgt. Die pak ik nog even, dacht hij. Met succes. De pijn van de
laatste klim heeft hij daardoor nauwelijks gevoeld. Ook Edwin vertelt in de
laatste tien kilometers gevlogen te hebben. ‘Onderweg ga je altijd wel een
keertje dood, want je eet altijd te laat. Het parcours hier is ook erg
vermoeiend. Op en af, je komt niet in je ritme. Er zaten drie hoge punten in en
daar had je een aardige jongen aan. Maar als je het bordje met ‘arrivée, 10
kilometer’ ziet, gaat er een knop om. Dan voel je geen pijn meer. Die laatste
klim was dan ook een makkie.’ Verbaasd zijn beiden als ze horen dat deze klim in
2003 deel uitmaakte van het parcours van de Tour de France en tot de vierde
categorie werd gerekend. ‘Ik ga ook maar eens aan de Tour meedoen’, grapt Edwin,
die wel zeker weet dat hij samen met Chris volgend jaar weer ergens in Frankrijk
te vinden is bij een wielerkoers voor cyclosportieven. Wie weet opnieuw bij La
Jean-François Bernard. ‘We hebben een fantastisch weekeinde gehad. We hebben
enorm veel gelachen en de koers was perfect georganiseerd. Daar kunnen ze in
Nederland nog een puntje aan zuigen. Het was die 23 euro inschrijfgeld meer dan
waard. We kregen nog een T-shirt, een bak met een maaltijd, een pompje en nog
wat tijdschriften. Onderweg waren drie ravitailleringpunten en de route was
uitstekend ‘uitgepijld’. Een heel stel motorrijders zorgde uitstekend voor de
veiligheid onderweg. Wat een kamikazepiloten. Met een noodgang kwamen ze soms
voorbij scheuren en dan stonden ze even verderop bij een zijweg weer rustig een
peukje te roken. Dat kan hier allemaal nog. Het was eigenlijk niet eens nodig,
want we hebben geen auto gezien. Het is hier uitgestorven. En dan dat sfeertje
er omheen. Zelfs de mensen in de dorpjes wisten van de koers en stonden buiten.
Prachtig allemaal om mee te maken. Het was echt super. Dat doen we volgend jaar
weer!’
Uit De Telegraaf april 2006